 |
De kalkoen is een oer-Amerikaans dier. De eerste
vermeldingen over kalkoenen vinden we bij enkele Midden-Amerikaanse
volkeren ten tijde van de grote ontdekkingsreizen. Verschillende oude
Mexicaanse Indianenstammen hielden kalkoenen als huisdier. In tempels en
op aardewerk heeft men afbeeldingen van kalkoenen gevonden.
Fernando Cortez (1485-1547), de veroveraar van Mexico, stootte bij zijn
reizen op kalkoenfokkerijen bij de Azteken en de Maya-indianen. Bij hen
waren de kalkoenen volledig gedomesticeerd. «Cortez bracht de tamme
kalkoen rond 1520 mee naar Europa,» zegt Boudewijn Goddeeris. «Vanuit
Spanje verspreidde het dier zich naar Italië, Engeland, Frankrijk en de
Nederlanden. Het Ronquières-ras dat rond die tijd in deze streek - en
vooral dan in België - voorkwam, is een afstammeling van die eerste
importen.»
|
De populariteit van de dieren was enorm. Op enkele decennia tijd ontstonden
er overal kalkoenfokkerijen. «Het waren in de Nederlanden goed ingeburgerde
huisdieren. De mensen gingen ermee op stap,» zegt Boudewijn. «Op schilderijen
uit de 16de en 17de eeuw worden vaak kalkoenen afgebeeld. Eén van die
schilderijen is dat van de Vlaming Joachim Beuckelaer uit 1566. Het is daarop
dat we een geelschouder-kalkoen van het Belgische Ronquières-ras afgebeeld
zagen.»
Voor de Europese pioniers, op trektocht door wat vandaag de Verenigde Staten
zijn, waren de kalkoenen in de Noord-Amerikaanse bossen een geschenk uit de
hemel. De zware beesten waren een uiterst belangrijke bron van voedsel voor de
eerste 'settlers'. Men heeft uitgerekend dat er twee eeuwen geleden in
Noord-Amerika zo'n tien miljoen wilde kalkoenen leefden. Tegen 1950 waren dat er
nog ongeveer driehonderdduizend. Maar de Amerikanen hebben maatregelen genomen
en hun kalkoenrassen weten te beschermen.
De Ronquières is een kalkoenenras dat lange tijd typisch was voor onze
streken. Het waren directe afstammelingen van de kalkoenen die Cortez in 1520
uit Mexico meebracht. Het ras kwam hier dus al voor in de 16de eeuw, maar
bereikte zijn hoogtepunt in de Nederlanden in de 17de tot 19de eeuw. Het
zwaartepunt heeft wel steeds in de zuidelijke Nederlanden gelegen. Dus in zekere
zin kan je wel van een Belgisch ras spreken.
Het ras kreeg zijn naam pas aan het eind van de 19de eeuw gewoon omdat Ronquières
een van de laatste streken was waar deze dieren nog ambachtelijk gehouden
werden. In Ronquières bestond er een lange kalkoentraditie. Er bestaan
documenten uit de 18de eeuw waarin we kunnen lezen dat de boeren van Ronquières
kalkoenen aan de hertog van Arenberg moesten afstaan als betaling van hun pacht.
In de loop van deze eeuw leek het alsof het ras volledig verdwenen was. Men ging
er vanuit dat de kalkoenen de twee wereldoorlogen niet overleefd hadden.
Iedereen dacht dat alle dieren opgegeten waren of meegenomen door de Duitsers.
De Vlaams-Brabantse broers Boudewijn en Bruno Goddeeris
zijn erin geslaagd de toekomst van het uitgestorven gewaande Ronquières-kalkoenenras
veilig te stellen. Zij vonden bij toeval op de markten in Mol en Retie
nog enkele exemplaren waarmee zij het terug fokken van het ras zijn
gestart. Drie kleurslag-varianten van de Ronquières waren erkend:
Hermelijn, Vale en Patrijs. De Ronquières is de énige kalkoen met
meerdere kleurslagen.»
|
 |
Met de dieren die ze gevonden hadden, konden ze in een mum van tijd de drie
beschreven kleur-varianten opnieuw fokken. Ze stonden voor een grote verrassing
toen ze plots nog twee kleurslagen, die niet in de standaard beschreven stonden,
zagen opduiken bij de nakomelingen. Dat waren de kleurslagen Wit en
Geelschouder.
De selectie was enkel gericht op de oorspronkelijke kenmerken. Deze kalkoenen
kunnen dus bijvoorbeeld vliegen en, hoe lastig die eigenschap soms ook kan zijn.
Ronquières leven in het wild, dat merk je. Ze zijn beter van smaak, een goed
stuk vlees met vezels. Het is een delicatesse. Het is ook nog een kalkoen die je
in zijn geheel kan klaarmaken. Een volwassen haan weegt 8 a' 9 kilo en een
hen 4 a' 5 kg.